Op 26 maart jl. heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) haar beleidsbrief ‘Handvatten voor een succesvol agrarisch natuurbeheer‘ gepubliceerd. Met deze brief levert het PBL een waardevolle bijdrage aan de discussie over de toekomst van het stelsel. Tegelijk riep de brief bij onze collectieven en deelnemers vragen op, vooral over de impliciete boodschap dat agrarisch natuurbeheer (ANB), waaronder het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), in gebieden met internationale opgaven op het vlak van stikstof, water en klimaat (nutriënten en emissies) geen passende rol zou hebben.
Agrarisch natuur- en landschapsbeheer vervult juist een belangrijke rol in het realiseren van ecologische doelen, zoals het creëren en versterken van leefgebieden voor soorten. De ecologische evaluatie van het ANLb die ook vorige week gepubliceerd is, maakt duidelijk dat het ANLb werkt, mits het voldoende omvang, intensiteit en ruimtelijke clustering heeft. Ook in gebieden met grote milieudruk zijn maatregelen als kruidenrijk grasland en plasdrassen van essentieel belang voor de kwaliteit van leefgebieden. Dat vraagt om erkenning van het ANB/ANLb als aanvullend en samenhangend onderdeel van de benodigde gebiedsaanpak.
Verduidelijking boodschap PBL
Vanuit BoerenNatuur hebben wij afgelopen vrijdag een goed en open gesprek met het PBL gevoerd over hun beleidsbrief. In dit gesprek hebben we gereflecteerd op de duiding en positionering van het ANB/ANLb. In de beleidsbrief van het PBL staat dat ten aanzien van internationale verplichtingen in specifieke gebieden (veenweiden, beekdalen en overgangsgebieden) ‘het huidige stelsel van agrarisch natuurbeheer eigenlijk ongeschikt is’ om daar aan bij te dragen. Tijdens het gesprek hebben zij bevestigd dat deze uitspraak alléén betrekking heeft op de benodigde reductie van emissies en nutriëntenverlies. Voor dergelijke doelen zijn volgens hen – zeker vanuit juridisch oogpunt – zonering en normering de aangewezen routes.
Tegelijkertijd erkent het PBL dat deze formulering onbedoeld de indruk wekt dat ANB in die gebieden geen rol meer zou hebben. In het gesprek hebben zij bevestigd dat het ANB, en in het bijzonder het ANLb, een logische en geschikte route blijft om actief te werken aan de verbetering van de kwaliteit van de agrarische natuur en het landschap. Het PBL geeft aan dat dit beter in hun brief tot uitdrukking had kunnen komen, zeker omdat de betreffende gebieden niet alleen milieudoelen kennen, maar ook doelen voor soorten en hun leefgebieden. Door het gedeelte over ‘soorten’ los te koppelen van het gedeelte over ‘gebieden’ is die samenhang onvoldoende zichtbaar geworden.
Wij waarderen het dat PBL ervoor open stond om hierover in gesprek te gaan en dat zij dit onderkennen. We hebben afgesproken dit breder te delen, omdat het gesprek bevestigt hoe belangrijk het is om integraal naar gebiedsopgaven te kijken. Vrijwillig agrarisch natuur- en landschapsbeheer staat daarbij niet tegenover verplichtende maatregelen, maar is juist een waardevolle aanvulling daarop, omdat het actief bijdraagt aan het verbeteren van de natuur- en landschapskwaliteit in agrarische gebieden.
