De vereniging BoerenNatuur is een volwassen organisatie met meer dan twintig medewerkers, uiteenlopende expertises en een stevig netwerk binnen landbouw, natuurbeheer en overheid. Maar achter die professionele structuur schuilt een geschiedenis van pionieren, experimenteren en samenwerken. Een terugblik.

Agrarisch natuurbeheer begon allemaal toen het besef groeide dat landbouw niet alleen voedsel produceert, maar ook grote impact heeft op biodiversiteit, landschap en waterkwaliteit. Vanuit Europa moest Nederland ook voldoen aan regelgeving om kwetsbare soorten en leefgebieden beter te beschermen. Boeren gingen samenwerken in lokale Agrarische Natuurverenigingen (ANV’s) om bijvoorbeeld weidevogels te beschermen, sloten natuurvriendelijk te beheren en akkerranden in te richten, en kregen daar vergoedingen voor. Dit agrarisch natuurbeheer werd vooral geregeld via individuele contracten tussen boeren en de overheid.

Met ongeveer 18.000 individuele contracten liep dat systeem al snel vast, omdat de administratie te groot werd en de uitvoeringskosten enorm. Bijna 40 procent van het budget voor agrarisch natuurbeheer ging op aan transactiekosten. Uit ecologisch onderzoek van Wageningen University & Research in 2013 bleek ook nog eens dat ondanks al die grote investeringen de ecologische effecten van het agrarisch natuurbeheer beperkt waren. Dat moest dus anders. Daarom werd gekozen voor een fundamentele stelselwijziging. Niet langer individuele boerencontracten, maar collectieven zouden voortaan verantwoordelijk worden voor de uitvoering van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Vanaf 2014 werd aangekondigd dat het beheer collectief en gebiedsgericht georganiseerd zou worden.

De pioniersfase

Nog voordat het huidige stelsel officieel van start ging, werd al daarmee in verschillende regio’s geëxperimenteerd met pilots. In Groningen, Friesland, Noord-Holland en de Achterhoek onderzochten de eerste collectieven hoe een collectieve aanpak in de praktijk zou kunnen werken. Henk Smith, tegenwoordig lid van het dagelijks bestuur van BoerenNatuur, was vanaf het begin betrokken bij de pilots via het Groningse collectief ANOG. “We keken naar hoe we via sturingskracht doelen konden bereiken in een gebied door te werken met een groep boeren”, vertelt hij. “Waar het ministerie eerst vooral een pilot op papier wilde hebben, werkten wij vooral aan de praktijk.” Die praktijkgerichte aanpak bleek cruciaal. De pilots onderzochten niet alleen hoe boeren beter konden samenwerken, maar ook hoe maatregelen effectiever konden worden uitgevoerd.

Smith herinnert zich hoe snel de ontwikkelingen gingen. “Na een jaar pilot bleek er meer behoefte aan informatie uit de pilots te zijn en kwam er meer. Jan-Gerrit Deelen was namens het ministerie van landbouw actief in Den Haag en Brussel geweest om ruimte te vragen voor een collectieve aanpak van agrarisch natuurbeheer. Die ruimte kwam er. Toen moest alles ineens snel opgeschaald worden, want we gingen het echt doen.”

ANOG ontwikkelde samen met Crop-R en Dacom een eerste digitale applicatie met Geo-GIS data. Dat systeem vormde later de basis voor SCAN-ICT, het digitale systeem van BoerenNatuur, waarmee collectieven beheermaatregelen intekenen, gegevens beheren en subsidies aanvragen. “Met enkele tienduizenden euro’s zetten we een systeem neer dat uiteindelijk landelijk werd uitgerold.” De experimenteerfase met de pilots gaf ruimte om te testen, te leren en fouten te maken. Maar er was ook spanning, volgens Smith. “Sommige provincies waren terughoudend omdat zij voor hun gevoel grip verloren op het directe contact met agrarische natuurverenigingen en daarmee het gevoel van regie kwijtraakten.”

De geboorte van SCAN en BoerenNatuur

Om het nieuwe collectieve stelsel vorm te geven werd in 2014 de Stichting Collectief Agrarisch Natuurbeheer (SCAN) opgericht. SCAN moest de overgang naar het nieuwe stelsel begeleiden en zorgde voor landelijke ondersteuning. Astrid Manhoudt, nu projectleider bij BoerenNatuur, was vanaf het begin betrokken bij de oprichting. “We vormden een projectteam dat de oprichting voorbereidde. Vanuit verschillende regionale koepels zaten mensen aan tafel. Ik werkte namens Veelzijdig Boerenland nauw samen met RVO, het ministerie en BIJ12.”

De uitdaging was groot. De collectieven bestonden immers nog nauwelijks, gaat ze verder. “We moesten met elkaar bedenken hoe collectieven eruit moesten zien, hoe gebiedsaanvragen werkten en hoe de verantwoording van natuurbeheer georganiseerd moest worden.”

SCAN ontwikkelde een kwaliteitshandboek voor certificering en stelde protocollen op voor monitoring van soorten binnen het agrarisch natuurbeheer. Ook professionalisering kreeg veel aandacht: gebiedscoördinatoren en besturen moesten leren werken in een compleet nieuw systeem. De overgang van pilots naar beleid verliep intensief, aldus Manhoudt. “Het was behoorlijk doorbuffelen. Ik heb zelfs geholpen met beleid schrijven voor Brussel.” En in 2016 was het zover. Het collectieve stelsel voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) ging officieel van start, en SCAN ging verder onder de naam BoerenNatuur: de vereniging van agrarische collectieven.

Een netwerk gebaseerd op vertrouwen

Volgens directeur Evelien Verbij was de beginperiode van BoerenNatuur vooral een zoektocht. “We moesten echt ontdekken hoe het systeem werkte.” Veel collectieven moesten zichzelf opnieuw uitvinden. Moesten ze personeel aannemen? Hoe organiseer je bestuur, administratie en ecologische kennis? Was het systeem wel toekomstbestendig? De focus lag in die eerste periode dan ook echt op het bestaansrecht van de collectieven.

De samenwerking verliep aanvankelijk informeel, herinnert Verbij zich. “Het was een klein netwerk van mensen die snel met elkaar konden schakelen,” vertelt ze. “Dat informele karakter heeft ons enorm geholpen. Het ANLb is immers gebaseerd op vertrouwen.” Die basis van de collectieve aanpak bleek een groot verschil te maken. “Voorheen kreeg een boer een brief van het ministerie als natuurbeheermaatregel niet goed was ingevuld,” zegt Smith. “Nu gaat het gesprek via collectieven. Samen zoek je naar een oplossing die redelijk is voor iedereen.”

Professionalisering en groei

In 2019 volgde een belangrijk moment: uit de eerste evaluaties bleek dat het collectieve stelsel werkte. Europese audits bevestigden bovendien dat het ANLb stevig genoeg georganiseerd was. Daarmee brak een nieuwe fase aan. De eerste GLB-periode (2016-2022) stond vooral in het teken van opbouw en inrichting. In de huidige GLB-periode (2023-2028) is de aandacht verschoven naar lerend beheer, monitoring en verdere professionalisering. Ook de inhoud is verbreed. Waar de focus eerst lag op habitats voor 68 doelsoorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijnen, kwamen later waterkwaliteit, klimaat en natuurinclusieve landbouw erbij. BoerenNatuur groeide mee. Inmiddels ondersteunt de vereniging collectieven niet alleen met ICT en administratie, maar ook met kennisontwikkeling, monitoring en strategie.

Dat vraagt om duidelijke spelregels, stelt Verbij. “Hoe groter het netwerk, hoe belangrijker het wordt om goed samen te werken. Informeel werken is niet meer voldoende.” En dat vraagt soms ook om lastige keuzes. Niet al het geld gaat rechtstreeks naar beheermaatregelen op het land, een deel wordt geïnvesteerd in organisatie, monitoring en professionalisering. “We krijgen wel eens vragen of investeren in professionalisering niet zonde is van de subsidie,” zegt Verbij. “Maar juist een goede organisatie is essentieel voor de lange termijn. Hoe groter de budgetten worden, hoe beter je moet laten zien wat je ermee doet. In die cultuurverandering zitten we nu middenin.”

Meer ecologie, meer kwaliteit

In tien jaar heeft BoerenNatuur veel bereikt, maar de uitdagingen zijn nog groot. De biodiversiteit staat nog altijd onder druk. Toch zijn er volgens Astrid Manhoudt duidelijke positieve signalen. “De ecologische evaluatie van vorig jaar laat zien dat de achteruitgang van de natuur binnen ANLb-gebieden minder groot is dan daarbuiten. Dat betekent dat het beheer effect heeft.”

Nu is de volgende stap volgens Manhoudt om vooral ecologisch sterker worden. “We varen soms nog te veel op boerenwijsheid en pragmatisme. Dat heeft ons ver gebracht, maar nu moet ecologische kennis meer de boventoon gaan voeren.” Ze vindt dan ook dat elk collectief minimaal één goede ecoloog in dienst zou moeten hebben. “Als collectieven nu nog geen beheerstrategie hebben, dan missen ze echt de boot. We krijgen steeds meer geld en verantwoordelijkheid, dus moeten we ook kwaliteit leveren.”

Die ontwikkeling ziet ook Smith. “In het begin hadden we vooral een landbouwpet op,” zegt hij. “Maar we zijn er steeds beter in geslaagd om ecologie in onze organisatie in te bedden. We zijn nu een agrarische ledenorganisatie met een ecologisch hart. Die positie is redelijk uniek. Dat is de kracht van BoerenNatuur.”

De toekomst: van perceel naar landschap

Terwijl BoerenNatuur haar eerste tien jaar afrondt, kijkt de vereniging alweer vooruit naar de volgende fase. In de volgende GLB-periode (2029-2034) ligt de focus liggen op verdere groei van systeemgericht denken in gebieden.  “We gaan meer kijken naar landschappen, en daarbij is meer contact met je buren en partners heel belangrijk. Collectieven en deelnemende boeren moeten weer hun blik verruimen. Dat vraagt wat van je. “Dat betekent het huidig instrument ANLb moeten doorontwikkelen maar ook dat we nieuwe instrumenten moeten gaan gebruiken”, aldus Verbij. In het programma Meer BoerenNatuur kijken we hoe meer instrumenten kunnen inzetten en hoe we ander maatschappelijk geld erbij kunnen betrekken. De complexiteit neemt toe, hoe gaan we het op een goede manier organiseren? Daarbij willen we natuurlijk niet de passie verliezen bij de boeren en collectieven. Daar houden we aandacht voor.”

Klik om toegang te krijgen tot de login- of registratiekaas